Martin is meervoudig Nederlands kampioen op de baan op onderdeel sprint, keirin en team sprint, heeft een schat aan internationale ervaring door deelname aan veel internationale sprint wedstrijden, wereldbeker, EK’s en WK’s wedstrijden. Vanwege Corona maatregelen kunnen we niet in het Velodrome afspreken, het is een online gesprek.

 

Hoe ben je met wielrennen in aanraking gekomen?

Ik heb altijd gevoetbald. Mijn vader was voetbal- en atletiektrainer. Ik trainde bij mijn eigen club, maar ook vaak bij hem. Toen kreeg ik een Osgood-Schlatter knieblessure, doordat ik te snel groeide in mijn pubertijd. Het bot onder mijn knieschijf scheurde los. Ik voetbalde met een tapeje om het bot terug te duwen en op z’n plek te houden. Maar na een wedstrijd moest  dat los en had ik weer last van mijn knie. Ik ging naar het ziekenhuis en ik kwam er uit met gips van mijn enkel tot mijn lies. Ik heb dat gehad aan beide benen, los van elkaar. De arts zei dat ik altijd last van mijn knie zou blijven houden door het draaien van het standbeen.

Dus zei je voetbal vaarwel?

Inderdaad. Ik had voordien al eens meegedaan met de Haarlemse Muggenronde, een wedstrijd voor kinderen met gewone maar ook met wielrenfietsjes. Ik ontmoette een jongen die op wielrennen zat bij HSV de Kampioen die zei: “Kom een keer meetrainen!” Dat vond ik leuk. Later heb ik ook nog op vrijdag bij de Bataaf meegefietst. Die training ging als volgt: de trainer reed voorop en er reed een lange sliert achter aan. Het ging steeds harder en als je gelost werd, mocht je je melden bij een andere trainer. Aan het eind van de training was ik de enige die nog aan kon haken! “Wanneer begint het?”  Ik weet nog goed dat ik met mijn handen in mijn zij voor de televisie ging staan en aan mijn ouders vroeg of op wielrennen mocht.

Hoe oud was je toen je begon?

Ik denk dat ik 14 was, want ik ben gestart als 1e jaars nieuweling. Ze gingen een toertocht doen; het zei me niet zoveel, maar leek me leuk, dus ik ging mee. Het was Parijs – Roubaix, 239 km die heb ik uitgereden. Wel koud en verkleumd, maar best OK gefinisht.

Wat een prestatie!

Toen had ik de smaak te pakken. Mijn 2e winter gingen wat mensen van de Bataaf op de baan trainen in Alkmaar, die was toen nog half overdekt en beton. Ik heb vier keer meegetraind en toen zei de trainer Herman Schenk: “Je moet je inschrijven voor het Nederlands kampioenschap!”  “Welke onderdelen dan?”  “Gewoon alles!” zei hij. Dus ik heb me voor alles in geschreven en ik huurde een fiets bij toenmalig Johan Immink voor 2 gulden 50. Aan het eind van de dag was ik Nederlands kampioen Sprint!

Een natuurtalent!

Ja het ging wel lekker, vooral dan het korte explosieve. Ik fietste 2 keer per week een uurtje, net zoals je bij voetbal een uurtje traint. Er werd weinig uitgelegd, de mensen die de kennis hadden, hielden dat nog bij zichzelf. In 1993 ben ik als 2e jaars junior lid geworden van ASC Olympia. Het 3e jaar dat ik fietste had ik heel veel last van hooikoorts en astma, toen werd ik vierde op het NK. Mijn vader zei al toen ik Nederlands kampioen werd: “Als je wint heb je vrienden” Ik wist niet wat dat inhield. Toen ik gewonnen had feliciteerden mensen me en wilden ze met me op de foto. Het jaar dat ik vierde werd, spraken die mensen niet meer tot me.

Je bent dan best jong om dat te ervaren?

Vanuit de hoek van mijn vader kende ik het wel een beetje. Hij was zeer verdienstelijk voetbal en atletiek trainer, met talenten links en rechts. Hij heeft bij koninklijke AFC als hoofdtrainer gewerkt. Maar om het zelf te ervaren is toch anders.

Daarna ben ik mijn toenmalige trainer Marco van Bon tegengekomen, dat was nog in de tijd van meneer Joop Middelink. Ik ging trainen vanuit Olympia en reed al snel mijn trainer voorbij! Hij is toen gestopt met de andere trainingen en is alleen mij gaan begeleiden. Zo is het begonnen.

Grappig dat jouw vader trainer was, want jij begeleidt zelf toch ook fietsers?

Ja, ik had met mijn oude sponsor, Cees den Toom steeds contact gehouden. Hij was lid bij de Volharding en daar kwamen steeds meer mensen op de wielerbaan. We kregen het verzoek of wij samen trainer wilden worden. Hij was ook personal en krachttrainer net als ik. Daarnaast was ik ook manager van een sportschool in Amsterdam. We hebben een presentatie gegeven en aan het eind van de avond hadden we 8 renners onder onze hoede. Vervolgens Watt bikes geregeld en zo is de wielerschool ontstaan. Eigenlijk uit een samenloop van omstandigheden.

Ben je nu nog actief?

Ja, Yanne Dorenbos (21 jaar) is een van de jonge renners uit de stal die weer op de weg terug is. Hij is begonnen als nieuweling bij ons. Ikzelf focus me op onze klanten en personal training en op dit moment trekt Cees de kar van de wielerschool. We hebben inmiddels een 2e locatie in Mijdrecht, de eerste ruimte waren we al snel uitgegroeid. We trainen daar kleine groepjes en doen 1-op-1 begeleiding. Dat is samengevoegd met de wielerschool. Carlo Raaymakers en Peter Markus zijn actief met baantraining in het Velodrome op Sloten.

Zijn er dingen veranderd ten opzichte van jouw tijd?

Jazeker. Vooral als ik, met alle respect, zie wat de jeugd voor handen heeft om te kunnen trainen. In mijn tijd klom ik stiekem over het hek van de wielerbaan om te trainen , toen was hij nog open. In de winter reed ik op een mountainbike, want je moest toch aan je omvang training werken. Nu is er die mooie nieuwe gerenoveerde wielerbaan hier op Sloten.

Het is prachtig geworden he?

Heel mooi. Ik heb helaas maar één training kunnen geven sinds hij open is. Ik heb wel even op een huurfietsje gezeten om het hout te voelen.

Hoe voelde het?

Het voelde goed! Het is wel wat anders, geen beweging meer. Vroeger schrok ik me als trainer wel eens rot van een geluid, maar dat was dan een plank die versprong! Nu ligt het heel vast, het is licht hout en de belichting is fraai. Het “rondlopende” lichtje heb ik natuurlijk ook even aangezet. Het glas en de lift zijn prachtig. Voor de wielersport is het super goed en mooi dat dit gedaan is!

Even terug in de tijd: je werd profwielrenner, hoe ging dat destijds, zat je op school?

Via mijn krachttraining had ik contact met iemand die mogelijk mijn sponsor wilde worden. Hij had een jeans bedrijf in IJmuiden en ik mocht langs komen. Het klonk allemaal prima en de sponsor was geregeld. Bij het afscheid nemen zei ik: “Ik heb nog een stage plek nodig voor MEAO bedrijfsadministratie …..”

Je moet het ijzer smeden als het heet is.

Zo is het! In die periode was ik veel in het buitenland. Mijn sponsor (de directeur) zei op maandag ochtend tegen me: “We moeten een gesprek voorbereiden, want je stagebegeleider komt vanmiddag langs” Met minimale tijdbesteding had ik een mooi cijfer voor mijn stage en heb ik mijn diploma gehaald. Zo kon ik optimaal sporten. In 1999 ben ik prof geworden, ik was 21 jaar. De Bankgiro loterij / Batavus / Big star werd de 3e Nederlandse prof ploeg, naast Rabobank en TVM.

Is dat deze mooie foto?

Ja, op het baan-shirt stond Big star groot en op het weg-shirt stond Bankgiro loterij en Batavus groot. Het was een mooie ploeg en ik heb een prachtige tijd gehad!

Was je veel onderweg?

Als sprinter rij je minder wedstrijden danwegrenners.  De grote jongens op de weg rijden misschien wel 150 koersdagen. Op de baan heb je er in een groot seizoen ongeveer 25.

Dan moet je pieken op die dagen

Dat klopt. Er was het Nederlands kampioenschap, Europees Kampioenschap, wereldbeker wedstrijden en het wereldkampioenschap. Bij de 4 tot 5 wereldbeker wedstrijden moest je punten verzamelen om je te kwalificeren. Daarnaast was er nog het Rabobank sprint toernooi en natuurlijk de Grand prix Jan Derksen op Sloten, mijn thuisbaan. Dat is volgens mij mijn doorbraak geweest. Een paar piek momenten in het jaar lagen relatief dicht bij elkaar, dat kon één piek zijn. Ik geloof niet dat iemand van 1 januari tot 31 december in vorm kan zijn. Soms heb je wedstrijden nodig om in vorm te kunnen zijn, soms rij je in dienst van anderen.

Hoe ging dat verder met de wedstrijden?

Ik was 1e jaars junior en begon net met mijn trainer. Er was een Grand Prix Jan Derksen wedstrijd in het Velodrome en ik had een gerucht gehoord dat ik mee mocht doen. Ik kwam de toenmalige bondscoach Ed Buster tegen in de gangen bij de kleedkamer en ik vroeg of ik mee mocht doen. Hij lachte me uit. Toen heb ik zijn foto uit de krant geknipt en op de deur van mijn slaapkamer geplakt, een jaar lang.

Oei, uit die emotie kan je kracht halen!

Het jaar daarop was ik 2e jaars junior, Nederlands kampioen sprint en voor mijn doen reed ik hard. Ik hoorde: “Heel misschien kan je starten, maar alleen als er een uitvaller is, dus ga maar gewoon kracht training doen” ’s Middags ben ik wel naar de baan gegaan, met de wedstrijd in mijn hoofd. Toen zeiden ze: “Je moet opschieten, want er is een uitvaller!”  Het was een tweedaagse wedstrijd en de toenmalige top René Vink en Jurgen Denekamp reden in het pré-toernooi. Aan het eind van de dag was ik als enige Nederlander nog in het hoofdtoernooi. Dat gaat over kansen krijgen en kansen grijpen. Maar ook genieten. Dat probeer ik mijn renners mee te geven. Als ik het met de kennis van nu over zou mogen doen, zou ik me nóg meer focussen op het genieten. Dat je je realiseert dat je bevoorrecht bent dat je dit mag doen. Ik heb het ooit bij Studio Sport gezegd: “Het uiteindelijke doel is niet profrenner te worden, maar de weg ernaar toe!”

Hoe kijk je terug naar de training en de techniek van die tijd?

Het voordeel is dat ik aanleg had, mijn vader was ook sprinter. Er zit zeker iets in mijn DNA, maar vooral ook in karakter. Mijn doorzettingsvermogen heeft me het verst gebracht. Ik trainde met Stefan Vis. Hij was  2 of 3 jaar jonger dan ik en veel talentvoller dan ik. Hij won altijd alles in de jeugd. Toen kwam de switch dat meer trainingservaring ging tellen. Voor mij was het trainen heel normaal, maar voor hem niet. Super talenten zijn heel leuk, maar ik werk liever met de jongens en meisjes die er net onder zitten, die gewend zijn er hard voor te werken. Uiteindelijk is er de 10.000 uur regel: iets wat je 10 duizend uur doet, daar  ben je professional in. Kijk naar Matthieu van der Poel, dat is niet alleen talent, hij traint ook heel hard.

Hoe ging dat met de financiën?

Toen ik 18 was stapte ik in een vliegtuig naar Engeland voor een van mijn eerste wedstrijden als amateur, nu heet dat belofte. Ik kreeg 100 pond startgeld. Die ging op aan ticket voor mijn trainer, dus ik had mijn eigen ticket betaald. Ik reed de kleine finale, dus om plaats 4, 5 of 6. Plaats 5 en 6 kregen niets en plaats 4 kreeg 100 pond. Laat ik nou in die rit fietsen tegen 2 clubgenoten. Ik weet nog dat ik dacht: “Die 100 pond is voor mij, voor de reiskosten!” En ik won die sprint ook, ik werd 4e.

Heb je het gevoel dat je iets gemist hebt door de topsport?

Nee, ik weet nog dat ik erg genoot van die tijd. We hadden een clubje van 4 goede vrienden, 2 van hen zie ik nog steeds. Ze gingen studeren en naar feestjes. In de winter was de omvangs-training en in de zomer baanwedstrijden. Dan ging ik eerst naar mijn vrienden toe en als zij daarna de stad in gingen, ging ik linksaf naar huis. Ik ging niet stappen, maar had toch een stuk ontspanning en gezelligheid gehad. Nu ben ik  44 jaar oud en ik rook en drink nog steeds niet. Ik heb niet het gevoel dat ik iets heb gemist, want ik heb plezier gehad in mijn sport en met de kennis van toen heb ik er alles uitgehaald. Achteraf had er veel meer uitgehaald kunnen worden, maar dat is achteraf. Ik heb veel beleefd, bijvoorbeeld oud en nieuw gevierd in Australië. Je kreeg deels betaald om naar een wedstrijd te gaan, soms was er prijzengeld, je pakt cultuur mee. Bij wereldbeker wedstrijden is er zondagavond vaak een soort feestje, dan komen de renners bij elkaar. In Australië heb ik dat een keer overgeslagen, omdat ik me voorgenomen had naar de Harbour bridge te gaan om het Opera house te bekijken. Prachtige dingen in Zuid Afrika gezien. Ik heb er op mijn manier van genoten. En nu kan ik ook nog naar feestjes, al is dat anders dan als je 18 bent.

Hoe is het nu met je?

Ik zorg voor mijn neefje. Mijn moeder heeft de zorg voor hem op zich genomen, omdat zijn ouders dat niet konden. Hij is inmiddels 18 jaar oud. Toen hij 5 jaar was, is mijn moeder plots overleden en toen ben ik in mijn eentje voor hem gaan zorgen. Ik ben modern; we wonen met een samengesteld gezin. Ik heb een dochtertje van 4 en ik heb een nieuwe partner met een bonus dochter van 6 jaar. Dat klikt heel goed. De bonus dochter is er altijd en mijn dochter van 4 is er de helft van de tijd. Ik ben verhuisd voor mijn dochter vanuit Haarlem naar Wilnis. Zo kunnen we co-ouders blijven. We hebben een fijn huis met een tuin, dus dat is prima. We hebben net een lekker weekend achter de rug met hele gezin thuis, gezellig samen.

Heb je nog iets mee te geven of tips om af te sluiten?

Jazeker! Zorg dat je geniet. Niet iedereen gaat prof worden. Het is belangrijk dat renners en rensters hun opleiding afmaken. Er zijn maar weinig renners die geld verdienen met wielrennen. En nog minder die zoveel geld verdienen dat je er nooit meer naast hoeft te werken. Dus: school afmaken!

Zorg dat je plezier blijft halen uit het fietsen. Durf vragen te stellen, probeer samen dingen uit qua training, wedstrijd voorbereiding, voeding. Praat er met elkaar over. Probeer je aan te sluiten, neem niet alles aan van één iemand, vraag verschillende mensen een mening. Ik schreef vroeger alles op in een schriftje, nu kan dat digitaal.

Dus kennis vergaren van verschillende kanten?

Inderdaad. Vroeger was wielrennen alleen “omvang trainen”. Als je 120 km traint voor een wedstrijd van 100 km is het goed genoeg. Nu is het heel normaal om bepaalde watt zone te trainen, krachttraining erbij te doen, core, buikspieren, rekken, voeding. In de winter kan het goed zijn om er een andere sport bij te doen. Ik ben zelf gaan kickboksen. Ik heb ook wel eens gezwommen, want het was donker en dan ging ik vóór school zwemmen. Daarmee maak je renners weerbaarder. Je wordt er echt niet slechter van. Je algemeen ontwikkelen in sport en beweging en daarmee je lichaam beter leren kennen. Vroeger hadden wielrenners heel gespierde benen en een slungelig bovenlichaam. Ik gebruik vaak Sagan als voorbeeld. Die doet ook core en balans oefeningen, daardoor word je ook een betere fietser.

Tijdens mijn trainingen op de baan doen we 500 meter, dan is er natuurlijk focus. Maar tussendoor is er echt wel tijd voor een grapje. Ik geef vaak dit voorbeeld: er zijn 2 identieke wielrenners, in alles hetzelfde. De eerste doet alles perfect 100% volgens de wetten van de wielersport: voeding, trainen en slaap. Nummer 2 traint voor 75% volgens de wielerwetten, maar die gaat af en toe met zijn vrienden naar een filmpje, eet een keer een pizzaatje. Ik weet zeker dat in een wedstrijd nummer 2 gehakt maakt van nummer 1!  Want de mentale weerbaarheid is heel belangrijk. Als je goed in je vel zit, kan je de wereld aan.

Voor mijzelf is de allergrootste doorbraak de wedstrijd nadat ik op vrijdagavond voor het eerst het meisje gezoend had, waar ik verliefd op was. Ik weet nog precies waar ik stond en hoe het was. Op dinsdag daarna was de eerste Rabo bank sprint wedstrijd. Op het moment dat ik de baan in reed op Alkmaar scheen de zon in de baan, in mijn gezicht. Ik werd deels verblind. Uit het niets moest ik aan die zoen denken. Ik maakte toen een actie waardoor ik de leiding nam en niet meer uit handen gaf. Naderhand heb ik dat nog vaak proberen op te roepen: “Oh, denk aan die zoen!”, maar toen gaf het niet meer die kracht.

Dat is wat ik probeer mee te geven: Jongens en meiden, geniet ervan, schrijf dingen ook op voor jezelf. Toen heb ik dit gedaan: het kwam er niet uit. Toen dat geprobeerd: dat werkte wel. Zodat je het niet vergeet. Geniet ervan, dat gaat je verder brengen in het leven. Niet alleen bij het fietsen, maar in het hele leven. Daar geloof ik heilig in!