De buienradar kondigde het op vrijdagavond al aan: een regenachtige zaterdag met vooral in de ochtend een uitgebreid buienfront dat over ons land zou gaan trekken. Dat althans was de voorspelling, maar voorspellingen zitten er ook weleens naast. Buienradar is tenslotte ook maar gewoon een radar.

De volgende ochtend ging de wekker om acht uur. Ik schoof de gordijnen opzij. Het hoosde. Dit waren geen buien, dit was onophoudelijke neerslag in dikke, harde druppels. Overal lagen diepe plassen. Ik stond op, trok voor het eerst deze herfst een lange wielerbroek en een regenjackie uit de kast en zette koffie. Ergens in mijn achterhoofd zat nog een sprankje hoop dat de regen zomaar ineens plaats zou gaan maken voor een prachtige opklaring, zo eentje waarbij zonnestralen de waterplassen op het asfalt doen verdampen en je halverwege de training je winterjack over het hekwerk kunt hangen. Wie zulke illusies kan koesteren, gaat op elke kansloze regendag gewoon trainen.

Terwijl ik twee boterhammen met jam in mijn mond propte, checkte ik mijn telefoon. Geen nieuwe berichten in de groepsapp. Nog niemand had afgezegd en ook de trainers hadden nog geen enkel bericht over mogelijke afgelasting geplaatst. Buienradar dreef intussen nog een aantal blauwrode vlekken over de stad. Ik zette mijn crossfiets klaar, deed mijn helm op en vertrok naar Sportpark Sloten. Die prachtige opklaring zat er voorlopig nog niet in, zoveel was wel duidelijk.

Bij het clubhuis stonden al zo’n vijfentwintig kinderen en een paar volwassenen onbezorgd over hun mountainbikes en cyclocrossers gebogen. Een aantal van hen was gewoon in korte broek op komen dagen. Sommigen waren in al hun enthousiasme al rondjes aan het draaien over het parkeerterrein. Het geluid van hun stemmen overstemde dat van de windvlagen en vallende druppels. Tegen de wand van het Velodrome stond een plukje ouders zwijgzaam ineengedoken in hun winterjassen. Ze droegen paraplu’s die al door de harde wind te grazen waren genomen, en waren duidelijk in afwachting van het moment dat de groep vanaf het clubhuis richting het parcours zou vertrekken. Dan konden zij de stoelverwarming in hun auto’s opzoeken of op het binnenterrein van de wielerbaan gaan genieten van een vers gezette automaatcappuccino.

Over anderhalf uur zouden ze hun kinderen dan terugzien. Mijn voorspelling was dat ze het nog flink lastig zouden krijgen om de gezichten dan nog te herkennen. Want we noemen het wel mountainbiken, maar na een uitgebreide zoektocht weet ik inmiddels dat er nergens op het Sportpark Sloten mountains zijn te vinden. Veldrijden of cyclocross, dat is wat we ’s winters doen. Als de linten om de modderstroken staan gespannen en de grasbulten zo glibberig zijn dat je soms even een voetje aan de grond zet, komt iedereen met een bemodderd gezicht terug van de training. Zeker op een regendag.

Ik vertelde Harold, een van onze mountainbiketrainers, over wat ik mijn vrienden had horen zeggen na afloop van de ACC-cross een week eerder. Die was door WVA georganiseerd en daar hadden onze buren weer iets speciaals van gemaakt. Zo was er in het struikgewas achter hun clubgebouwtje een extra lus in het parcours gelegd. Op dat stuk omgewoelde grond was volgens mijn vrienden ‘door de parcoursbouwers een tuinslang gezet en die hadden ze nooit meer dichtgedraaid’. Het moest er verschrikkelijk bij liggen. Moddersporen die zo diep waren dat er hele voorwielen in waren verdwenen. Het leek me geen goed idee om daar met de jeugd van Olympia naartoe te gaan, zo zei ik.

‘Die kids vinden we daar nooit meer terug, Harold. En dat wordt sowieso na afloop nog een uur lang huurfietsen afspuiten.’
‘Dat gaan we dan juist wel doen’, zei Harold. Hij keek er vrolijk bij, alsof iemand hem zojuist had verteld dat hij de lotto had gewonnen.
‘Hartstikke leuk, we maken er een techniektraining van. Goeie tip man!’

Harold riep de groep bijeen. Annemie ging intussen het clubje met de jongste kinderen trainen. ‘We gaan eerst inrijden’, zei Harold. Het leek zowaar even te zijn gestopt met regenen.

‘Rij maar tot helemaal naar het keerpunt en dan verzamelen we weer bij WVA’.

Over de nieuwe hindernis in het struikgewas zei hij niks. Die zouden de Olympianen onderweg vanzelf wel tegenkomen.

Een kwartiertje later stond de groep klaar voor nieuwe instructies. Het viel me op dat vrijwel niemand nog een schoon pak droeg, maar de fietsen zagen er nog redelijk schoon uit. Dat viel al met al nog goed mee. Terloops vroeg ik hoe ze het nieuwe lusje hadden ervaren. ‘Die met al die modder? Die is echt gruwelijk. Gaan we daar zo weer naartoe?’.

Harold’s techniekblokje bestond eruit dat de Olympianen één voor één door de modderbocht van het struikgewas gingen. Ze stonden opgesteld als kinderen die op de kermis wachten voor de toegangspoort tot het spookhuis. Iedereen kreeg van Harold aanmoedigingen en persoonlijke instructies: ‘hou je beentempo hoog’. ‘Schakel lichter’. ‘Blijf doortrappen en zoek het goede spoor’. Vrijwel niemand kreeg het voor elkaar om fietsend door de modderbocht te gaan, maar iedereen bleef het lachend proberen. Ook na twee mislukte pogingen en een duik in het modderbad.

Na afloop van de training stonden we in het smalle gangetje bij de ingang van het Velodrome. Buiten was het opnieuw keihard gaan regenen. De kinderen haalden nog een laatste doekje over hun schoongespoten huurfietsen. Luc Ducrot, winnaar van de Ronde van Orteliusstraat en een bekend gezicht in het fixedgearwereldje, passeerde. Hij had net binnen op de baan getraind en droeg zijn baanfiets om zijn schouder. Hij had er zelfs van die bloedserieuze wieltassen om gedaan, het hele spul moest kennelijk op klinische wijze van de baan de gereedstaande auto in, met minstens anderhalve meter afstand tot een mogelijke besmettingsbron.

‘Zout eens op, jullie vieze crosskinderen!’, zei hij in het voorbijgaan in een mengeling van lichte spot en dodelijke ernst.

Geen kind keek op, ze leken het niet te hebben gehoord. Volledig geconcentreerd wreven ze hun poetsdoeken over de natte kettingen. In hun gesprekken ging het alweer over de training van volgende week, en of we dan weer naar de modderbocht in het struikgewas zouden gaan.